Avondwandeling

24/11/2009

De zon is al lang samen met de storm achter de horizon verdwenen als ik afscheid neem van de anderen om terug naar mijn auto te wandelen. Zelfs in het donker is de weg niet moeilijk terug te vinden dus mijn hakken klikken vol zelfvertrouwen op het trottoir. Sinds ik eraan gewend ben geraakt vind ik het een rustgevend geluid.

De straat waar ik door moet is redelijk smal, met auto's geparkeerd aan beide kanten. Langs het trottoir staan kleine, gezellig uitziende huisjes waarvan er heel wat versierd zijn met bloembakken. Plots hoor ik aan de overkant echter een geluid dat ik niet verwacht had, een geluid dat niemand ooit verwacht : een zacht geklingel, alsof er een reeks kleine belletjes beroerd wordt. Ongevraagd komt de legende van Zij die Toekijken weer in me op. Er wordt gezegd dat zij ervoor zorgen dat niemand alleen hoeft te sterven, dat elke dood die in deze wereld plaatsvindt gezien wordt. Niemand heeft hen ooit gezien doch iedereen zal ooit door hen gezien worden. Er is zelfs niemand die weet of ze echt een lichaam hebben dan wel een soort van geesten zijn die de ogen gebruiken van wat er ook toevallig in de buurt is – een vogel, een rat, een standbeeld, het maakt niet uit. Ik weet ook niet of het toeval is, maar het valt me op dat in een bloembak aan de overkant van de straat, aan hetzelfde huis waar nog steeds die belletjes klinken, enkele beeldjes zitten. Ze zijn waarschijnlijk bedoeld om er vriendelijk uit te zien, maar ik vind dat ze iets onheilspellend hebben en wend vlug mijn blik af terwijl ik iets sneller begin door te stappen.

Als ik achter het raam naast me dan ook nog eens enkele porseleinen uiltjes zie zitten die me met grote, witte ogen aanstaren begint mijn hart als een razende te bonzen en moet ik mezelf dwingen om het niet op een lopen te zetten. Ondertussen klinken nog altijd die belletjes aan de overkant van de straat. Het lijkt wel alsof ze me volgen, want ik schijn er niet in te slagen ze achter me te laten.

Ik trek mijn sjaal wat strakker aan, trek mijn lange zwarte jas die door de wind rond mijn benen flappert wat dichter om me heen en loop snel door met mijn ogen stevig op het trottoir gericht. De inrit naar een parkeerterrein waar ik langs moet is als een gapende zwarte muil en net op het moment dat ik er voorbij moet stopt het zacht rinkelende geluid van belletjes terwijl de wind even gaat liggen. Of dit een goed teken is of niet weet ik niet, maar ik dwing mezelf om rustig voorbij de inrit te lopen met in mijn achterhoofd het idee dat als ik er zelfverzekerd genoeg uitzie ik misschien levend aan mijn auto geraak.

Een eindje verder zie ik een donkerblauwe bestelwagen die gedeeltelijk op het trottoir geparkeerd staat. De schaduw die het ding op de muur werpt ziet er extra donker uit en ik aarzel even voordat ik mezelf dwing erlangs te lopen. Op dat moment steekt de wind ook weer op en veroorzaakt een onheilspellend geruis in een struik aan de overkant van de straat. Met dat typische gevoel dat je krijgt wanneer iemand hard genoeg naar je rug staart haast ik me langs de bestelwagen en slaak een zucht van verlichting wanneer ik aan de hoek van de straat kom. Ik ben er bijna; mijn auto staat aan het einde van deze straat geparkeerd.

Ik draai de straat in en loop langs een ijskarretje dat in grote rode letters omringd door vreselijk opzichtige gele sterren trots beweert het beste ijs uit de stad te verkopen. In de verte hoor ik een diepe stem die begint te lachen door de straten zweven, alsof iets me uitlacht met mijn zinloze poging om de veiligheid van mijn auto te bereiken. Mijn nekhaar gaat prompt recht overeind staan en stuurt een koude rilling langs mijn ruggegraat. Ergens diep in mijn gedachten probeert een stemmetje te rationaliseren dat het maar een trein is die in de verte voorbijraast, maar ik weet niet zeker of ik dat wel geloof. Nog een halve straat en ik kan veilig in mijn auto duiken.

Dat hek waar ik langs moet, zag het plein erachter er daarstraks ook al zo spookachtig uit? Het behoort toe aan een of ander instituut, maar wat doen ze daar? En die kat die zonet het trottoir overstak om onder het hek door te kruipen en in de nacht te verdwijnen, die was toch niet zwart? Ik overweeg even om de straat over te steken om zeker te zijn dat de ze mijn pad niet heeft gekruist maar verman mezelf. Ik weiger toe te geven aan zulk bijgeloof, zelfs als mijn hele rug volstaat met kippenvel.

Daar, mijn auto. De pinkers knipperen hun warme oranje gloed over de hele straat als ik het slot losmaak met de afstandsbediening. Ik gooi snel mijn tas in de koffer en haast me naar de bestuurderszetel. Zogauw ik de deur achter me heb dichtgetrokken doe ik alles op slot met de centrale vergrendeling. Voor alle zekerheid kijk ik ook even op de achterbank, want je weet maar nooit. Tussen de zetels zie ik niets anders dan duisternis ...